Voedselvoorziening

Lucas 9:10-17

Voedselbank...

Daar in die eenzaamheid 

kwamen ze aan, de discipelen,       

           vol van verhalen,
           vol van alles wat ze beleefd hadden.
    De Heer,
    Hij begreep dit wel
    en liet ze eerst rustig alles vertellen,
                alles uitspreken
                en toen,
                toen zei Hij:
‘Nee, nu niet meteen weer weghollen.
Nu niet meteen weer aan de slag
voor Mij,
want dan zou je in eigen kracht gaan,
            in overmoed.
    Blijf nu een hier bij Mij
    en rust wat uit.
    Jullie zijn zo druk geworden,
    kom nou eerst eens weer
    helemaal tot jezelf.’
En zo, terwijl ze zo bij Jezus waren
om weer nieuwe kracht op te doen,
om weer opnieuw open te staan voor de Geest van de Vader,
                    zo kwamen ze
                    daar, de mensen,
                        de massa’s.
Heer, wij willen genezen worden,
Heer, Uw Koninkrijk kome, Uw wil geschiede.
    Mijn Koninkrijk?
    Mijn wil?
        Weten jullie wel wat je zegt?
        Mijn Koninkrijk is niet van deze aarde.
        Mijn wil is,
            precies te doen
            wat de Vader wil.
            Want die heeft me naar jullie toegezonden.

En zo vertelde Jezus
aan die duizenden
in gewone mens’lijke woorden
                hoe het Koninkrijk van God werkte.
                En het werkte!
                Want die echt genezing nodig hadden
                        maakte Hij gezond.
Ja, zo was Jezus
middelpunt aller aandacht.
Waar Hij was vergat men de tijd,
        leefde men haast in de eeuwigheid.
    Alleen,
    de magen begonnen te knorren,
    de zon daalde,
    de avond viel,
    de mensen, ze moesten weg
            wilden ze nog onderdak,
            voedsel vinden.
Zo dachten de twaalf discipelen.
Zo wilden ze de Heer een tip geven:
                    Heer,
                    Heer, zend ze weg,
        dan kunnen ze nog in de dorpen,
        op de boerderijen in de omgeving
        voedsel vragen, onderdak voor de nacht.
Want, hier is het eenzaam!
Hier eenzaam?
Bij Hem?
Bij hen?
Mensen wegsturen om eten?
            En dat terwijl ze zojuist bij Hem terugkwamen
            en niets hun onmogelijk was.
        Duivelen uitdrijven.
        Zieken genezen.
        En dan geen eten geven?
        Moest dat dan niet gebeuren.
        Kon dat dan niet?
                Was dat te gewoon?
Zo klonk het heel rustig
maar duidelijk en niet mis te verstaan:
            ‘Geef gij hun te eten!’
Wat?
Geef gij hun te eten?
Wij?
Die duizenden? Heer? Nu? Hier?
        Gewoon te eten geven?
        Wat was dat nou?
    Dat was toch geen geestelijk werk!
                Overeenkomstig hun priesterlijke waarde?
                Nee, dat kon toch niet.
                Dat geloofden ze nooit!
        Waar moest al dat geld vandaan komen?
        Om zoveel te kunnen kopen?
        Geld, geld, geld.
        Geen geloof.
‘Ja,
toe maar…!’
Maar toen ze aarzelden
vroeg Hij: ‘Wat is er aan eten bij jullie?
                Dan gaan we daarmee beginnen
                of niet soms?
        Ja, dat was niet veel.
        Nooit genoeg!
        Ze hadden maar vijf broden
                en twee vissen.
                Dat was zo geteld.
Dachten ze dan niet meer aan de kracht van God?
Aan de belofte:
        Vraag wat ge maar wilt
        En niets zal u onmogelijk zijn?
Had Hij hun niet herinnerd aan de psalm:
        ‘Haar priesters zal Ik met heil bekleden.
        Haar armen zal Ik met brood verzadigen.’
‘Ik zal jullie helpen’, zei Jezus,
‘dan mogen jullie Mij helpen.
            Laat de mensen maar eens gaan zitten.
            Geen gedrang graag.
            Gewoon in groepen van vijftig man.
En zo ging het.
Overal liepen nu de discipelen rond
En vroegen:
        Wilt u wel gaan zitten,
        Ja, vijftig mensen bij elkaar,
    En daar weer vijftig
    En daar weer.
            Na verloop van tijd zat ieder
            en zo waren daar wel honderd groepen.
Maar wat nu?
Wat moesten ze daar nu mee doen?
Twaalf man met honderd groepen.

‘Kom maar eens’, zei de Heer.
En zo, terwijl overal de mensen zich vol verwondering af vroegen,
wat er gaat nu gebeuren,
zo ging Jezus daar tussen de groepen staan:
        ‘Vader, geef ons heden ons dagelijks brood.
        Ik zegen al deze mensen
        dat ze voedsel kunnen ontvangen
        en dat er voor ieder
        volop zal zijn.’
En zo, vol geloof, in de wil van zijn Vader,
brak Hij het brood,
brak Hij de vis, stuk voor stuk,
            stuk voor stuk
            in stukken.
Zo zond Hij zijn discipelen weer uit
maar nu met brood en vis.
En zij, zij gaven het aan de mensen.
            Kijk dan toch,
            de vijf broden raakten niet op.
            De twee vissen,
            ze bleven rond en mals,
                    heerlijk om van te eten.
Zo at ieder.
    Rustig ging Jezus rond.
    Heeft u genoeg?
    Echt genoeg?
            Bent u verzadigd?
            Niets meer nodig?
Nee!
Niemand!
Ieder was verzadigd, van kleine tot grote eter.
Ieder was vol ontzag, voor wat hier gebeurde.
    En toen ieder verzadigd was
    gingen de twaalf discipelen rond.
    elk met een mand.
Om de resten in te zamelen,
resten brood,
resten vis,
En dat was geen klein beetje,
            twaalf manden vol.
Elk had een mand vol brokken opgeraapt.
Een mand vol, brok voor brok, stuk voor stuk.
En toen ze eindelijk zo bij Jezus kwamen,
vol verwondering,
maar ook vol schaamte over hun eigen kleingeloof,
sprak Jezus:
        ‘Geef dat maar mee aan de mensen,
        voor morgen.’
Morgen?

Ja, dan moesten ze toch weer eten?
Morgen?
Ze konden zich haast niet voorstellen
dat er nog een nieuwe dag zou komen
                na zo’n groot wonder.
        Ja,
        morgen,
        morgen zijn er weer mensen,
        die leven en brood nodig hebben,
                broodnodig
                brood des levens!
            Geloven jullie nu dat je het kunt?

Maak uw keuze
Copyright Stichting de Wegwijzer
Website laten maken door Best4u Group B.V.