Gedumpt door dorpelingen

Gedumpt door dorpelingen..!

De weg naar de synagoge.
De mensen spraken opgewonden met elkaar:
‘Geloof jij wat ze allemaal over Hem vertellen?
Hij, de timmermanszoon?
Ze zeggen dat Hij zieken geneest.
                Ze zeggen dat Hij onlangs in Kana
                een feest heeft gemaakt.
                Vaten vol wijn zou Hij gemaakt hebben.’
Zo schoven ze de synagoge in.
De gelovigen.
Zoals men gewend was op de sabbat.
De mannen beneden, de vrouwen boven.
En toen…
    Daar gaat Hij, Jezus,
    net als Hij vroeger deed,
    met zijn vader en zijn broers,
    naar de synagoge.
De mensen, ze rekken hun hals, ze wijzen stiekem,
Daar zit Hij, hun medeburger,
    zoon van hun dorpstimmerman,
    over wie zulke sterke verhalen
    de ronde doen.
Als dan ieder gezeten is,
dan opeens
staat Jezus op.
Hij loopt naar voren. En onder doodse stilte,
                  voor ieders oog,
                  neemt Hij de boekrol,
                  de rol van de profeet Jesaja.
Wat zal Hij lezen?
Wat zal Hij zeggen?
Hier, waar ze Hem kennen.
Hier, waar Hij opgevoed werd
in Nazareth?

Dan klinken heel rustig de woorden:
            ‘De Geest des Heeren is op Mij,
            omdat Hij Mij gezalfd heeft
            om aan armen het evangelie te brengen.’
Deze woorden kennen ze.
Deze troostwoorden van Jesaja.
Woorden uit zeer donkere tijden.
Woorden, waar ballingen,
           verworpenen,
           armen,
           zich eeuwenlang mee troostten.
Maar dan,
als hun gedachten nog maar net zo ver zijn
om te gaan luistern,
naar wat Hij hun te zeggen heeft,
dan klinkt daar:

        ‘Heden is dit schriftwoord
        voor uw oren vervuld.’
Wat?…
         Heden?
         Vandaag de dag?
         Zijn zij dan die gevangenen?
            die blinden?
                           die armen?   
Zouden zij,
gezeten burgers van Nazareth,
heil nodig hebben?
Nu
van Hem?
En moet Hij hun dat heil geven?
        ‘De Geest des Heeren op Hem?
        Omdat God Hem gezalfd heeft?’
Hem?
Is Hij niet de zoon van Jozef?
Is Maria niet een van hun buurvrouwen?
Wat verbeeldt Hij zich wel?

En Jezus?
Hij luistert naar de harten als Hij spreekt.
Hij leest in de ogen
                        de hoogmoed,
                 het vuur van verweer,
                                van verwerping,
                 van afkeer.
Nee,
Hij gaat zich niet verdedigen.
Hij gaat niet zeggen: ‘Ik ben Gods Zoon.
            Zal Ik jullie dat eens laten zien?
            Zal Ik jullie dat eens laten voelen?’
Hoor:
    Hij begrijpt de mensen.
    Hij sluit zich bij hen aan en zegt:

‘U zult zeker zeggen onder elkaar:
man… waar praat je over?
Laat zien wie je bent.
Doe hier de wonderen, die je in Kapernaüm deed.
Waar ieder van spreekt.
Laat dan zien dat je een profeet bent.
Laat dan zien dat je Gods Zoon bent.

            Hé, waar had Jezus die stem meer gehoord?
            Klonk die nu zèlfs in de synagoge?
‘Ik zal jullie wat zeggen’, sprak Jezus,
‘geen enkele profeet vond waardering,
                  vond erkenning,
                  of geloof in zijn eigen woonplaats,
waar ze hem als broekje,
               als kwajongen nog kenden van vroeger.
Denk maar eens aan Elia.
Die werd geholpen door een weduwe, van een heiden.
Toen er in Israël honger was,
drie jaar lang geen drup regen viel,
mocht zij voor hem zorgen,
de weduwe in Sarfat.
Terwijl er toch zat weduwen waren in het volk van God
                          in Israël.’
Wat? Waren zij, Joden,
            Volk van God,
            Abrahams nageslacht,
            niet goed genoeg om voor hun eigen
            profeten te zorgen?
Was dàt
Volgens Hem Gods bedoeling?
        Hen passeren
        om hun ongeloof?

Hoor, daar gaat Jezus verder,
    Hij sust het opgekomen gemor niet.
    Nee, Hij wakkert het veel eerder aan
    want
    terwijl de oren rood worden
    de ogen donker
    de vuisten heimelijk zich ballen,
spreekt Jezus:
‘Ja, en er waren vele melaatsen in Israël
toen Elisa profeet was, maar…
            alleen Naäman,
            de Syriër,
            de heiden,
            werd genezen, omdat hij geloofde.’

Toen was het uit met hun geduld.
        Uit met hun horen.
    Als één man stonden ze op,
            stonden ze op
            tegen Hem.
Jezus? Hij liet ze begaan.
    Hij gaf ze de ruimte
    tot aan het eind van het dorp.
Ze grepen Hem vast.
De mannen, woeste rabauwen nu,
ze voeren Hem mee. Joelend,
            krijsend,
            door de straatjes van Nazareth.
Langs het huis waar Hij vroeger gewoond had,
                    gespeeld had,
                    gewerkt had, als timmerman,
de stad uit,
naar de rots,
naar de vuilnisstortplaats.
Dumpen zo één!
Zo één… sterven moet hij!
Zo één… hoort hier niet,
        tussen hen!
En toen…
    Toen, op het allerlaatste moment
        op de rand van de rots,
        waar gieren begerig rondcirkelen    
                boven afval en verrotting,
toen…
toen men de rand naderde,
toen lieten steeds meer handen
            Hem los:
            hij moet Hem maar duwen,
            hij zal het wel doen,
            niet ik,
            hij,
toen bleek,
dat niemand Hem durfde te doden.

Alle handen hadden Hem
        op den duur losgelaten.
Daar stond Jezus. Het geweld om Hem
            smolt weg, als sneeuw voor de zon
                            voor de Zoon
                            van God.
Achter Hem, de woedende schare.
        Synagogengangers,
        Nazareners.
Toen keerde Jezus zich om.
Zijn ogen? Fonkelden die van toorn?
Waren ze groot van doorstane angst of spanning?
Nee!
Vol liefde stond Hij daar.
Zijn oog vol medelijden,
        verlangen,
        begrip.
De mensen? Ze stonden aan de grond genageld.
        Roerloos!
        Sprakeloos!
En Jezus? Ging Hij toen preken?
        De mensen tot bekering oproepen?
        Ze de straf van God voorhouden?
        Nu had Hij de aandacht.
        Nu had Hij de gelegenheid.
Nee.
Vol rust en liefde liep Hij op de mensen toe.
Deze deinsden achteruit.
En zo, je kon het gehijg her en der horen,
    liep Hij tussen hen door,
    zonder dat iemand Hem
    een strobreed in de weg legde,
    zonder dat Hij
    Zijn voet aan een steen stootte.

Verworpen door Zijn vroegere buren en dorpsgenoten
maar… door de engelen
    op de handen gedragen.

‘Gaan jullie met me mee?’
zei Hij tegen zijn vrienden.
En zo daalden ze af naar Kapernaüm.
        
 

 

Maak uw keuze
Copyright Stichting de Wegwijzer
Website laten maken door Best4u Group B.V.