De woestijn in

                          Lucas 4:1-13

De woestijn in...

‘Ben jij Gods Zoon?’,
klonk het sarrend.
‘Ben jij Gods Zoon?’
            ‘Maak dan eens brood van deze stenen.
            Dat kun je niet.
            Als je Gods Zoon was,
            deed je het wel.
Laat mij eens zien of je Gods Zoon bent.
Je bent het niet.’
Zo haalde de satan Hem het bloed onder de nagels vandaan,
althans dat probeerde hij, de duivel.
‘Je kunt wel zoveel vertellen.
Er zeggen zoveel ‘de Messias te zijn’
Je kunt jezelf nog niet eens helpen, man.
Hoe wil je dan de wereld helpen.
Je kunt jezelf nog niet eens van je honger afhelpen.
Nou?
Zie je die stenen niet?
Zo mooi rond lichtbruin.
Zou het water je niet in de mond lopen?
Net broden, hè!.
Nou, maak er dan broden van!
            ’t Is maar een handomdraai.
            Maar je kunt het niet.’
Maar Jezus sprak in zichzelf:
‘Brood is niet het enige waarmee ik me voed.
Mijn voeding is de wil te doen van mijn Vader.
Daar word ik blij van
en sterk.
Dan speelt de honger geen rol.
Brood… brood… brood?
Er zijn andere dingen... belangrijker in het leven.’
En heel diep in zijn hart leefde het
intense verlangen anderen te voeden,
                         voor anderen zelf brood te zijn,
                                                       ‘Brood des levens’
Hier, heel alleen,
zonder vrienden en familie,
zonder steun van mensen en hun hulp,
zonder enige organisatie of instelling achter zich,
kon Jezus
zijn overwinning behalen,
in de diepste diepten
van zijn eigen hart,
            dat intens verbonden was
            met zijn hemelse Vader.
‘Je kunt nu wel mijn verlangens verlokken.
Je kunt me met geweld benaderen
            of zoete broodjes bakken,
maar,
Ik richt mij op mijn Vader
en wil uitsluitend doen wat Hij wil.’

En de duivel?
Die verzint steeds weer iets nieuws
            om de mens te lijmen
            om hem zo
            te breken.
‘Als Hij dan genoeg voeding heeft,
als hij dan geen honger heeft,
            dan zeker honger naar macht,
            naar eer van mensen.
            aanzien, erkenning.
De baas zijn,
    koning worden,
        dat wil toch iedereen!’
‘Zal ik jou dan eens wat laten zien?’,
fluisterde hij Jezus in het oor.
En hij bracht Jezus op een hoge berg,
             een hoge berg der verleiding,
             vanwaar je alle zogenaamde
             heerlijkheid kon zien.
        Niet al het bloed,
        niet al de tranen,
        al de oorlogen,
        al de haat,
                dat moffelde de duivel weg,
                ver weg,
                de leugenaar.
‘Ja’, zei de duivel, dat alles zal ik je geven.
Al die macht,
als je mij aanbidt.
Je wilt toch een wereldrijk starten.
Over heel de wereld een Koninkrijk van God stichten.
Ik zal je de macht daartoe geven,
alle macht,
als je eenmaal slechts
voor mij knielt.’
Maar Jezus kende zijn Vader.
Hij wist, dat alleen Hij alle macht heeft,
in hemel en op aarde.
    Dat Hij
    alleen bij zijn Vader
    steun kon vinden,
    kracht en bemoediging,
    alleen als je tot Hem bad.
‘Gij zult de Heere uw God alleen aanbidden’,
klonk vast en duidelijk
zijn stem.
Alle macht?
Ja, dat is waar men naar zoekt.
Dat wil men wel.
Heel diep in zijn hart klonken reeds de woorden:
            ‘Mij is gegeven alle macht
            in hemel en op aarde.
            Maakt al de volken tot mijn volgelingen.
            Zie, Ik ben met u,
            Ik help u,
            ook ondersteun Ik u
            met mijn heilrijke rechterhand.’
Ja, daar was de duivel bang voor,
doodsbang.
Maar, hij liet dat niet merken.
Vol behulpzame huichelarij
Deed hij zijn volgende voorstel,
            maar meteen dreigde hij Jezus,
            probeerde hij Hem bang te maken,
            te intimideren.
‘Als je dan alle macht hebt,
wat heb je er dan aan
zonder volgelingen?’
En heel geraffineerd bracht hij Jezus naar de tempel.
Daar op de rand van het hoofdgebouw
had je een prachtig uitzicht
op alles wat er vóór de tempel gebeurde,
op ieder die daar kwam.

            ‘Zie je al die massa’s?
            Allen offeren ze al eeuw in, eeuw uit,
                        door de eeuwen trouw.
            Zouden ze dan in jou
            Gods Zoon zien?
                    Het Lam van God?
Denk dat maar niet!
Als dan de Geest van God op je is,
as je dan Gods Zoon bent,
zorg er dan voor dat men naar je luistert,
dat men je gehoorzaamt.
Jou? Timmermanszoon?
Gedaante noch heerlijkheid heb je.
Wie gelooft wat jij gehoord hebt:
                ‘Deze is mijn geliefde,
                mijn Zoon,
                waar ik heel veel van houd.’
Zou God dat gezegd hebben?
En denk je ,dat men hier dat zou geloven?
Kom nou! Wees wijzer!

Zie je al die gelovigen?
De massa, die dagelijks de tempel bevolkt,
zou die
in jou de Messias zien?
Zie je de altaren?
    de offers?
    de priesters?
Hoe denk je deze eeuwenoude cultus
        deze hele Joodse godsdienst
        om te buigen?
Men heeft helemaal geen behoefte aan jouw boodschap.
Wil je werkelijk geloof vinden
bij de massa,
spring dan, nu,
        van hier.
        spring dan van hier
                naar beneden
                    op het plein!
Dan val je op.
Dan trek je de aandacht.
Dan kun je erop rekenen dat de mensen je jubelend op de handen zullen dragen.
En wees maar niet bang:
God, jouw Vader, zal zijn Zoon niet laten vallen,
                        doodvallen.
            Hij houdt toch van jou?
            Hij zal je wel opvangen.
            Er zijn toch engelen genoeg
            om dat klaar te spelen?
Je zult je voet nog niet aan een steen stoten.
En,
als je zo neerdaalt
vanuit de hoogte
tussen de schare, die de wet niet kent,
            die God niet kent,
            die jou niet kent,
zul je in één keer bekend zijn.
Dan zul je gezag hebben.
En een groot gehoor!

Maar Jezus,
Hij zag de schare en wist:
        ‘Mijn tijden zijn in Gods hand.
        Mijn naam is in zijn handpalm gegrift.
        Hem zal Ik niet op de proef stellen,
        Hem zal ik vertrouwen
                    en aanbidden,
                    Hem alleen!
Aandacht trekken?
Geweld plegen?
Zo werkt het niet.
        Liefde geven!
        Dat werkt.
En daarvoor ben ik hier
op aarde.’

Weg was de duivel.
        Nergens was hij meer.
En de engelen stonden klaar.
                Nu wel, ja!
            Om Jezus te helpen.
                    Zij dienden Hem!
Het grote werk kon van start.
Jezus was geslaagd,
        in de woestijn.
        Wat kon Hem nu nog scheiden,
        scheiden van de liefde van God?
    Aan de slag dan!
    En daar ging Hij!
            Naar Nazareth!

Maak uw keuze
Copyright Stichting de Wegwijzer
Website laten maken door Best4u Group B.V.